



In nederland was ik door een vriendin al licht verslaafd geraakt aan padel. En gelukkig maar, want het is voor mij een levensader gebleken om hier een bestaan op te bouwen.
Doordat Spanjaarden zo sociaal zijn, kent padel ook andere vormen dan de bekende playtomic- of competitie-wedstrijden. Hier worden zogenaamde QDD’s georganiseerd; oftewel een Quedada.
Een quedada komt neer op: recreatief padellen met elkaar waarbij sport en plezier centraal staan. Het concept is simpel; je wordt lid van een groeps-app en meldt je aan zodra er een datum voorbij komt. Je kunt je solo inschrijven of met speelpartner. Vervolgens is er per QDD een -wat ik noem- regelneef. Die reserveert de banen en maakt de 1e baanindeling. We spelen een kwartier of twintig minuten en dan wisselen we van baan en van tegenstanders (winst een baan ophoog, verlies een baan omlaag). Supersimpel maar dat maakt het juist zo leuk om te doen. Bij sommige QDD’s wissel je ook van speelpartner, maar bij de meeste doe je het met degene die je is toegewezen. Soms tref je een hele goede speler naast je en soms tref je een die net begint. Maar dat drukt de pret niet, we spelen 1,5 tot 2 uur en doordat het korte wedstrijden zijn is het heel afwisselend.
Het is man, vrouw, jong en oud door elkaar heen. Soms speel ik met een jongen die mijn zoon had kunnen zijn en waarvan ik denk ‘Wil jij niet liever met jongens van je eigen leeftijd spelen?’ Maar als dat zo zou zijn, zouden ze niet meespelen. De grootte van een quedada varieert trouwens van 12 tot wel 40 man, dus variatie genoeg!
Ik kan je verklappen dat ik ondertussen van 8 verschillende appgroepen lid ben. Sommige zijn enorm groot, ruim 500 mensen, dus je kunt je voorstellen dat ik elke dag kan padellen als ik dat wil (dat wil ik wel, maar mijn lijf vind dat wat overdreven).
Hoe ik ertussen ben gerold? Dat ging heel snel ineens. Het begon allemaal met een toernooi vorig jaar november. Ik wilde zo graag weer spelen, dus toen ik een toernooi in de buurt voorbij zag komen op Instagram, trok ik de stoute schoenen aan en gaf me op.
Bloednerveus ging ik op zaterdagochtend naar de baan, want dat ik niemand ken is één ding, maar dat je dan ook de taal niet spreekt is een serieuze bijkomstigheid. Er was gelukkig iemand gevonden die met mij wilde spelen en dat was een bijzonder goedlachse, oudere, maar fitte man. Hij hielp me gauw over mijn zenuwen heen en ratelde aan een stuk door met een zwaar Andalusisch accent waar ik werkelijk niets van kon verstaan. Maar hij was zo vriendelijk en grappig dat ik alleen maar kon lachen naar zijn pretoogjes.
Na het toernooi wisselden we telefoonnummers uit en hij zette me direct in twee appgroepen. Ik ben de beste man tot op de dag van vandaag dankbaar en ik speel nóg elke dinsdag avond met of tegen hem bij de QDD van Simon Verde. (En hem verstaan gaat nu overigens een heel klein beetje beter).
Ondertussen speel ik 3-5 x per week op 3 verschillende locaties omdat ik de afwisseling heel leuk vind. Op één locatie speel ik bijvoorbeeld alleen met vrouwen. Af en toe wordt er in de groep gegooid dat er een cena aan vast wordt geplakt; oftewel eten! Iedereen neemt wat eenvoudigs mee, een torilla, een empenada, een zak chips, het maakt niet uit, want als 32 mensen iets meenemen liggen de tafels vol. En nee, geen hoogdravend gedoe, gewoon alles op de tafel mikken en eten!
Ik heb ondertussen al veel mooie mensen mogen ontmoeten en eindelijk leer ik ook de namen wat beter onthouden. Als een blij ei rij ik elke keer weer na zo’n avond naar huis. Want als ik iets geleerd heb van een emigratie alleen, dan is het wel dat je onder de mensen móet blijven en godzijdank staan de Spanjaarden daar heel erg voor open.